“Ik had een raspaard in gedachten, maar we zijn met een heel lelijke kameel buitengekomen.”
Met die metafoor vatte premier Bart De Wever de btw-hervorming kernachtig samen. Wat bedoeld was als een gerichte en elegante begrotingsingreep, strandde na een scherp advies van de Raad van State op juridische bezwaren.
De vraag is niet alleen hoe de regering dit rechtzet, maar ook of ze bereid is terug te keren naar eenvoud.
Van grote lijnen naar politieke fijnslijperij
Aanvankelijk lagen relatief duidelijke opties op tafel:
- Harmonisering van de tarieven van 6% en 12% richting één tussentarief
- Een verhoging van het standaardtarief van 21% naar 22%
Beide scenario’s waren technisch overzichtelijk en budgettair krachtig. Een verhoging van het standaardtarief met één procentpunt zou volgens ramingen binnen de administratie meer dan 1 miljard euro kunnen opleveren.
Maar de politieke realiteit duwde de regering richting gerichte ingrepen. Vooral MR verzette zich tegen een algemene verhoging die de consumptieprijzen rechtstreeks zou raken.
In november klonk dat bijzonder expliciet. MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez schreef op X:
“Met MR worden beloftes nagekomen … geen btw-verhoging, de winkelkar blijft veilig.”
Die duidelijke positionering legde de lat hoog. Vandaag ligt het btw-dossier opnieuw open en is de begrotingsdruk niet verdwenen. Dat maakt de zoektocht naar een werkbare oplossing complexer dan toen.
Raad van State: geen fiscale kunstjury
Formeel was het oordeel van de Raad van State duidelijk. Het ontwerp maakte onvoldoende duidelijk waarom vergelijkbare goederen en diensten verschillend werden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel laat differentiatie toe, maar alleen met een stevige, objectieve motivering. Die ontbrak volgens het advies.
Maar achter die juridische tik schuilt een bredere realiteit. Als de regeling was ingevoerd, had de fiscus zich plots ontpopt tot artistiek directeur én versheidscontroleur.
In de cultuursector leek het btw-tarief bijna een waardeoordeel te bevatten. Bepaalde podiumkunsten bleven onder 6%, terwijl festivals en veel concerten naar 12% zouden gaan. Alsof niet alleen het podium, maar ook het genre fiscaal werd gewogen.

Dat is meer dan symboliek. Organisatoren leggen maanden vooraf hun prijzen vast. Eén programmatiekeuze zou plots een ander btw-tarief kunnen betekenen.
De kameel kreeg daar al een extra bult.
Bij meeneemmaaltijden werd het nog vreemder. Het tarief hing af van begrippen als “consumptieklaar” en beperkte houdbaarheid. In de praktijk betekent dat: een verse pizza en een vergelijkbare pizza met langere houdbaarheid zouden onder een ander regime kunnen vallen.
Voor juristen een nuance. Voor ondernemers een hoofdbreker.
Wat bedoeld was als een gestroomlijnde begrotingsmaatregel dreigde zo te evolueren naar een regeling waarbij cultuur en versheid fiscaal werden gecategoriseerd. En hoe meer uitzonderingen, hoe meer bulten.
Precies daar besloot de Raad van State dat deze kameel geen stap verder mocht zetten, hoe hard men hem ook als raspaard probeerde te verkopen.
Begrotingsrealiteit laat weinig ruimte
Intussen blijft het federale tekort oplopen. Volgens recente meerjarenramingen evolueert het geconsolideerde overheidstekort richting meer dan 5% van het bbp tegen het einde van het decennium.
De btw-maatregelen moesten enkele honderden miljoenen euro genereren. Dat bedrag moet nog steeds worden gevonden.
Binnen de meerderheid groeit daarom opnieuw de roep om eenvoud. Werkgeversorganisaties zoals VOKA pleiten al langer voor een coherent en stabiel fiscaal kader in plaats van punctuele correcties. Ook UNIZO benadrukt dat voorspelbaarheid cruciaal is voor ondernemingen die investeringsbeslissingen plannen op middellange termijn.
Welke pistes blijven realistisch?
- Terug naar 22%
Een verhoging van het standaardtarief blijft de meest eenvoudige en juridisch veilige optie. Administratief is dit relatief makkelijk door te voeren en budgettair levert het aanzienlijk meer op dan de afgevoerde maatregelen.
Politiek blijft dit gevoelig, zeker gezien eerdere stellige uitspraken.
- Hervorming van de verlaagde tarieven
Een harmonisering van 6% en 12% naar één tussentarief blijft inhoudelijk verdedigbaar vanuit vereenvoudigingsoogpunt. Maar deze piste raakt gevoelige sectoren zoals voeding, renovatie en horeca, waardoor het draagvlak onzeker is.
- Nieuwe gerichte ingrepen
Na het negatieve advies lijkt de bereidheid om opnieuw complexe uitzonderingen uit te werken kleiner. Juridische robuustheid weegt zwaarder dan enkele maanden geleden.
Conclusie
De metafoor van het raspaard en de kameel blijft hangen. De ambitie was helder, de uitwerking bleek kwetsbaar.
Met de begrotingsdruk die aanhoudt en eerdere politieke beloftes die nog nazinderen, staat de regering voor een moeilijke evenwichtsoefening. De komende weken zullen uitwijzen of eenvoud alsnog de bovenhand haalt, of dat het dossier opnieuw verzandt in politieke fijnslijperij.
Eén vaststelling lijkt intussen breed gedeeld: hoe meer bulten een btw-hervorming krijgt, hoe moeilijker ze vooruit raakt.





